Palliatieve zorg

Niets menselijks is mij vreemd

Hij komt uit Tilburg, ik uit de regio Breda. Allebei houden we van voetbal, dus je raadt het al: mijn weekenden zijn meestal een stuk vrolijker dan die van Roy na de degradatie van Willem II. Maar sinds bij hem uitgezaaide kanker is vastgesteld, is voetbal niet meer dan een bijzaak.

Toch praten we erover. Er is die klik, die gedeelde humor – een sarcastisch grapje, een vilein sneertje, uiteraard met een knipoog naar de rivaliteit tussen Breda en Tilburg. De ziekte schrijdt voort. Sneller dan verwacht. Ineens moet er van alles geregeld worden: thuiszorg, hulpmiddelen, huisarts. Het was schakelen in de hoogste versnelling. Wat me raakte, is dat Roy en zijn gezin na die turbulente fase rust hebben gevonden.

Waar eerst verdriet en angst stonden, is nu berusting. Aanvaarding. En daardoor ook ruimte voor waardevolle momenten samen. In onze gesprekken gaat het over het afscheid. Over hoe, maar vooral over het gevoel erbij. Het zijn gesprekken die niet alleen hen raken, maar ook mij. Want Roy doet me denken aan mijn vader, die acht jaar geleden overleed. Ook hij had humor, ondeugendheid, een levenswijze die veel lijkt op die van Roy. Ook hij was van diezelfde leeftijd toen hij ziek werd. Maar waar mijn vader nooit de rust vond, ervaar ik bij Roy juist wél dat diepe aanvaarden. En dat is pijnlijk en troostend tegelijk. Verdriet is bij mij altijd wat pragmatisch geweest, misschien een manier van omgaan met verlies. Maar bij Roy voel ik dat het ook anders kan. Dat berusting mogelijk is. En dat maakt dat ik, naast de pijn en de herkenning, vooral dankbaarheid voel.

Dankbaar dat ik deel mag uitmaken van zijn proces. En dat ik door hem ook een stukje van mezelf beter begrijp.